Blog: PFAS, de rechter en de zorgplicht van de Staat

10 maart 2026

PFAS, de rechter en de zorgplicht van de Staat

PFAS zijn stoffen waar je steeds vaker over hoort. Ze zitten in allerlei producten, breken nauwelijks af in het milieu en stapelen zich op in het menselijk lichaam. Wetenschappers waarschuwen al jaren voor mogelijke risico’s voor gezondheid en milieu. Juist daarom begonnen wij, samen met andere organisaties, een rechtszaak tegen de Nederlandse Staat. Onze centrale vraag was simpel: doet de overheid wel genoeg om burgers te beschermen tegen PFAS?

De rechtbank Den Haag gaf onlangs antwoord. De uitkomst was voor ons teleurstellend: de rechter oordeelde dat de Staat niet onrechtmatig handelt en dus niet kan worden verplicht tot strengere maatregelen. Toch bevat de uitspraak meer nuance dan alleen winst of verlies. De rechtbank erkent een aantal belangrijke uitgangspunten, maar blijft tegelijkertijd zeer terughoudend in het opleggen van verplichtingen aan de overheid. Dat roept vragen op over de manier waarop het recht omgaat met milieuproblemen die zich langzaam maar zeker opstapelen.

De basis: PFAS zijn een serieus probleem

Om te beginnen stelt de rechtbank duidelijk vast dat PFAS “schadelijke en hardnekkige stoffen” zijn. Ze breken nauwelijks af en verspreiden zich via water, bodem en voedselketens. Ook erkent de rechtbank dat de overheid een verantwoordelijkheid heeft om burgers tegen zulke risico’s te beschermen. Dat volgt onder andere uit artikel 22 lid 1 van de Nederlandse Grondwet, waarin staat dat de overheid maatregelen moet treffen ter bevordering van de volksgezondheid.

Daarmee staat een belangrijk principe vast: bescherming tegen milieuschade en gezondheidsrisico’s hoort bij de taken van de Staat. Maar dat betekent volgens de rechtbank nog niet dat de rechter kan voorschrijven hoe de overheid dat precies moet doen.

Veel beleidsvrijheid voor de overheid

Een belangrijk onderdeel van de uitspraak is dat de rechtbank benadrukt dat de overheid ruime beleidsvrijheid heeft bij complexe maatschappelijke problemen. PFAS-regelgeving is, volgens de rechtbank, typisch zo’n ingewikkeld dossier. Het gaat om duizenden verschillende stoffen, internationale handel en Europese regelgeving die een belangrijke rol spelen;  veel regels over de handel in dergelijke stoffen worden op EU-niveau gemaakt, bijvoorbeeld via de REACH-verordening. Er loopt momenteel een initiatief (van onder meer Nederland) om via de REACH-verordening de handel en het gebruik van PFAS vergaand te beperken.

De rechtbank vindt daarom dat Nederland niet zomaar eenzijdig strengere regels hoeft in te voeren als er al Europese trajecten lopen. Met andere woorden: zolang de Staat aantoonbaar werkt aan beleid en internationale samenwerking, is het volgens de rechter moeilijk om te zeggen dat hij juridisch tekortschiet. De vraag is of daar niet een gemiste kans ligt. De Staat kan zich, zo lijkt het, “verschuilen” achter dat initiatief. Het is echter nog helemaal niet duidelijk of, wanneer en in welke vorm die zogenaamde restrictie onder de REACH-verordening in werking zal treden. Intussen blijven de stoffen geproduceerd, verhandeld en gebruikt worden en ontstaat er dus schade. Wat ons betreft had dit kritischer kunnen worden beschouwd.

De discussie over de PFOS-norm

Een ander opvallend onderdeel van de uitspraak gaat over PFOS, een van de bekendste PFAS-stoffen. In Europese regelgeving worden normen vastgesteld voor hoeveel van deze stof in het milieu mag voorkomen, bijvoorbeeld in water. In de procedure kwam naar voren dat Nederland mogelijk al in 2027 aan een specifieke PFOS-norm over aanwezigheid in het milieu zou moeten voldoen. Dat zou betekenen dat de overheid relatief snel extra maatregelen moet nemen.

De rechtbank is echter voorzichtig met die conclusie. Volgens de rechter staat niet vast dat Nederland juridisch al in 2027 volledig aan die norm moet voldoen. De precieze verplichtingen en overgangsperiodes zijn volgens de rechtbank nog onderwerp van interpretatie en beleidskeuzes en mogelijke uitzonderingen onder Europees recht.

Voor onze zaak was dat een belangrijk punt. Als het wél duidelijk was dat Nederland binnenkort aan strengere normen moet voldoen, zou dat kunnen betekenen dat de huidige situatie onvoldoende bescherming biedt. De rechtbank zegt eigenlijk dat de Staat niets meer hoeft te doen, omdat die verplichting voor 2027 nog onvoldoende vaststaat.

Waar wij vraagtekens bij zetten

Hoewel wij begrijpen dat de rechter voorzichtig is, vinden wij dat deze terughoudendheid ook risico’s heeft. PFAS-vervuiling heeft namelijk een bijzonder kenmerk: de schade bouwt zich op en breekt maar heel, heel erg langzaam af. Wat vandaag wordt uitgestoten, kan over tientallen jaren nog steeds in bodem en water zitten. Juist daarom is de vraag niet alleen of de overheid nú juridisch onder een minimumnorm zakt, maar ook of zij voldoende oog heeft voor de toekomst en de zorg die ze daaromtrent moet betrachten.

Artikelen 21 en 22 van de Grondwet leggen immers een duidelijke zorgplicht bij de overheid. Die plicht gaat volgens ons niet alleen over reageren op problemen die al volledig zichtbaar zijn, maar ook over het voorkomen van schade. In onze visie had de rechtbank daarom kritischer kunnen kijken naar de vraag of Nederland sneller nationale maatregelen zou moeten nemen, zeker als Europese regelgeving nog jaren op zich kan laten wachten.

Wat deze uitspraak betekent

De rechtbank komt uiteindelijk tot de conclusie dat het huidige beleid van de Staat niet onrechtmatig is. Dat betekent dat de rechter geen aanleiding ziet om de overheid te verplichten tot strengere regelgeving of een verbod op PFAS. Dat oordeel betekent echter niet dat het probleem opgelost is. Integendeel: de rechtbank erkent dat PFAS een ernstig en complex vraagstuk vormen. De uitspraak laat vooral zien waar de grenzen liggen van wat de rechter kan en wil afdwingen.

Onze rechtszaak ging uiteindelijk over een fundamentele vraag: hoe ver strekt de zorgplicht van de overheid als het gaat om volksgezondheid en milieu? De rechtbank heeft die vraag terughoudend beantwoord en veel ruimte gelaten voor politiek en beleid. We menen dat (met name) jurisprudentie van het EHRM en andere recente rechtspraak echter betekent dat van de overheid wel meer kan worden verwacht.

Hoe dan ook is de maatschappelijke discussie met de uitspraak niet voorbij. Zo lang PFAS zich blijven ophopen in ons milieu, blijft ook de vraag bestaan of de overheid sneller en ambitieuzer moet handelen om de volksgezondheid te beschermen. Wat ons betreft wel.

Jaap Lameijer

Meer informatie?

Profiel Jaap Lameijer

Jaap Lameijer

Juridische adviseur